Achtergrond

Martha Nussbaum [1], grondlegger van het begrip "Quality of life", reikt ons een aantal basisvoorwaarden aan die vervuld moeten zijn om te kunnen spreken over een goede kwaliteit van leven. Ze heeft het onder meer over de kans krijgen om/op:

  • je leven tot het einde te kunnen leiden;
  • op een goede gezondheid, mobiliteit, voldoende eten en een dak boven je hoofd, het beleven van je sexualiteit en de keuze in voortplanting;
  • onnodige en niet heilzame pijn te vermijden;
  • aangename ervaringen op te doen;
  • je zintuigen, verbeelding, denken en verstand te gebruiken en voldoende leerkansen krijgen om dit alles verder te ontwikkelen;
  • gehecht te raken aan dingen en mensen rond ons heen;
  • te leven voor en met anderen, om zorg te kunnen tonen en dragen voor andere levende wezens;
  • een leven uit te bouwen in harmonie met de dieren en natuur;
  • te lachen, te spelen en te genieten;
  • je eigen leven te leiden en niet dat van een ander, in vrijheid en zonder vervolging;
  • je een beeld te vormen over de invulling van wat goed is en kritisch na te denken over hoe een goed leven voor jezelf vorm kan krijgen.

 

Simon Duffy [2] vult dit lijstje aan met:

  • betekenisvolle doelen voor jezelf op te stellen;
  • deel uit te maken van een gemeenschap, waarin deze doelen een betekenis hebben;
  • in contact te komen met gelijkgezinden die je zullen steunen in je streven naar die doelen, want het is enkel in relatie tot anderen dat dit (een zinvolle) betekenis krijgt;
  • het beschikken over de noodzakelijke middelen om deze doelen na te streven.

Wanneer één van bovenstaande voorwaarden voor lange tijd ontbreekt, komt de kwaliteit van iemands leven onder druk te staan. Dit kan gebeuren wanneer een aantal materiële zaken ontbreken zoals het missen van een dak boven je hoofd, voldoende voedsel, adequate (professionele) zorg op maat enzovoort.  Ook het gebrek aan goede gezondheidszorg en onderwijs leidt tot een daling in de kwaliteit van leven van mensen.

Maar ook de afwezigheid van andere mensen kan een ernstige aanslag zijn op iemands kwaliteit van leven. Leven is namelijk onlosmakelijk verbonden met anderen: mensen die betrokken zijn op je leven: een netwerk van familie, vrienden, buren en kennissen die er voor zorgen dat je je ergens thuis kan voelen, zoals Michael Smull [3] aangeeft: een veilige plek maar tegelijk deel uitmakend van een grotere sociale eenheid, een vriendenkring, een dorp, een buurt, een samenleving. Wie zo’n netwerk van vrienden en familie heeft, in een gezin leeft, tewerkgesteld is of onderwijs volgt en daar is ‘ingebed‘, er een actief vrijetijdsleven op nahoudt, staat misschien niet stil bij deze menselijke rijkdom.

Uitsluiting kan echter hard en onverwacht toeslaan in het (dagelijks) leven. Op bepaalde momenten kunnen netwerken op de rand van explosie staan, bijvoorbeeld wanneer mensen werkloos worden, bij een scheiding, een gevangenisstraf, gezondheidsproblemen, langdurige opname in een ziekenhuis, enzovoort. Anderen komen al met een handicap [4] aan de start : mensen die sociale vaardigheden en geld missen om aan allerlei activiteiten deel te nemen, mensen die door ziekte of beperkingen minder mobiel (geworden) zijn en hun netwerk zien verschrompelen.  Nog anderen zijn hun roots letterlijk kwijt (door migratie, langdurige verblijf in gevangenis, residentiële zorgsettings...) en moeten op een bepaald moment in hun leven helemaal opnieuw beginnen, maar vaak met een te klein sociaal back-up systeem van mensen die hen kennen, die voor hen opkomen. Hierdoor missen ze een terugvalbasis van mensen die er zijn zonder voorwaarden die een basis vormen om nieuwe stappen te durven te zetten. 

En ook op zo’n momenten boeten mensen in op vlak van kwaliteit van leven...

[1] Martha Nussbaum, Amartya Sen,(1993) Quality of life. Clarendon Press. 453 blz.

[2] Simon Duffy (2009). Thinking community: In Control. In: Carl Poll, Jo Kennedy & Helen Anderson, In community.

[3] Michael Smull (2010). In: Conversations on citizenship and person-centerd work.  Ed by O’Brien, J. and Blessing, C. Inclusion Press.

[4] De term handicap is een golfterm, die de speelsterkte van een golfer aangeeft. De handicap toont aan hoeveel slagen de speler gemiddeld nodig heeft om 18 holes te spelen boven de par van de baan. De hoogste handicap is 36. Een speler met handicap nul noemt men een scratch speler.